Schrijftips

De informatie die fondsen vragen verschillen per fonds, maar in het algemeen behoren in een degelijke aanvraag de volgende zaken te zijn beschreven:

Motivatie

Waarom benader je dit fonds? Maak in je begeleidende brief duidelijk waarom je een fonds aanschrijft. Toon aan dat je je verdiept hebt in de doelstellingen van een fonds.

De organisatie

Aspecten waaruit blijkt hoe de aanvrager is georganiseerd:

  1. organisatiebeschrijving (voorgeschiedenis, relevante ervaring, betrokken personen, gebruikelijke doelgroepen)
  2. bestuur (beschrijving van de wijze waarop de functies toezicht, beleid, beheer en uitvoering zijn gescheiden. Is het bestuur een legitieme vertegenwoordiging van de doelgroep? hoe is zeggenschap geregeld? Hoe is continuïteit geregeld?)
  3. rechtsvorm (stichting, vereniging, kerk, onderneming, coöperatie, eenmanszaak: van belang is niet alleen de wettelijke rechtsvorm, maar ook het (winst)oogmerk)
  4. financiële situatie (reserves, solvabiliteit, liquiditeit, resultaatbestemming)

In de meeste gevallen is deze informatie te vinden in de statuten, het uittreksel KvK en de jaarrekening.

Het project

Aspecten die in het projectplan aan bod zouden moeten komen:

  1. aanleiding voor het project (welke signalen, uitspraken, frustraties of emoties vormden de aanleiding tot project? Hoe is het balletje gaan rollen?)
  2. beschrijving van de huidige situatie (wat is het probleem dat wordt aangepakt? Welke oorzaken hebben geleid tot de huidige situatie?)
  3. projectdoel (welke verandering wordt bereikt en is die verandering meetbaar omschreven?)
  4. doelgroep (is de doelgroep helder omschreven, aan de hand van demografische gegevens?)
  5. aantal deelnemers (van hoeveel deelnemers gaat het projectplan uit? Hoeveel halen de eindstreep?)
  6. behoefte (hebben zij gevraagd om dit project? Op welke wijze zijn ze betrokken bij de voorbereiding? Hebben ze het projectplan gelezen? Is duidelijk dat ze de wil hebben om iets te veranderen in hun leven?)
  7. draagvlak (omschrijf je welke groepen – buiten de deelnemers – belang hebben bij het slagen van het project? Tot welke inzet zijn zij bereid?
  8. vrijwilligersinzet (hoeveel vrijwilligers worden gemobiliseerd, ingezet, opgeleid om het project te realiseren?)
  9. draaiboek (routeplan: welke stappen worden gevolgd van de huidige naar de toekomstige situatie, welke tussentijdse resultaten worden verwacht?)
  10. onderscheidende waarde (toon je aan op de hoogte te zijn van vergelijkbare initiatieven? Waarin onderscheidt dit project zich van andere?)
  11. samenwerking (met welke partners wordt samengewerkt? Is duidelijk, waarvoor zij verantwoordelijk zijn bij de realisatie van dit project?)
  12. lange-termijnperspectief (op welke wijze onderbouw je de verandering die op lange termijn wordt bereikt? Hoe wordt de nieuwe situatie in stand gehouden?)
  13. is er een evaluatieplan? (hoe stel je na afloop van het project vast of je in je opzet bent geslaagd? Maken deelnemers andere keuzes? Is hun gedrag veranderd? Is hun leefsituatie verbeterd?)
  14. projectbegroting (is er sprake van een gerubriceerd, gespecificeerd overzicht, opgesplitst in fasen, aangeleverd in een rekentabel? Is de projectomvang duidelijk? Is er een relatie tussen de uitgaven en de projectdoelen?)
  15. dekkingsplan (welke financieringsbronnen worden benaderd en in welke verhoudingen? Hoe groot is de eigen bijdrage?)

Dit is een beperkte set aspecten! Voor een uitgebreidere opsomming, en voor schrijfinspiratie, raadpleeg mijn presentatie over geld werven bij vermogensfondsen op prezi, of raadpleeg mijn Handboek voor aanvraagbeoordelaars.